Taalachterstand of taalontwikkelingsstoornissen, hoe ga je ermee om als leerkracht?
Vakartikel uit Caleidoscoop, gelezen op 24 maart 2026
In januari bleken enkele leerlingen uit mijn klas te kampen met zowel taalproblemen als met een taalontwikkelingsstoornis. Het ging om kinderen met Nederlands als thuistaal, maar ook om leerlingen die thuis meertalig opgevoed zijn. Zo kwam ik in contact met de zorgcoördinator Nederlands, die deze leerlingen begeleidt door hen basiszorg of verhoogde zorg aan te bieden. Geïntrigeerd door en onwetend over de aanpak van deze leerlingen, ging ik op zoek naar meer informatie in een aantal vaktijdschriften. In het vakblad Caleidoscoop vond ik een artikel over het detecteren van taalachterstand of taalontwikkelingsstoornissen (TOS) bij leerlingen. De meest gekende vorm van een TOS is dyslexie.
Onderzoek wijst uit dat meertalige kinderen hun taalmijlpalen op hetzelfde moment bereiken als eentalige kinderen. Maar kinderen die niet in het Nederlands worden opgevoed, kunnen moeite hebben met onze standaardtaal. Met de nodige taalsteun zijn ook deze kinderen na ongeveer een jaar in staat om zichzelf in het Nederlands uit te drukken. Een meertalige leerling die moeite heeft met Nederlands in de klas, heeft dus niet per se een taalontwikkelingsstoornis.
Kinderen met een TOS hebben nood aan logopedische therapie, maar het is niet evident om meertalige kinderen met een TOS te identificeren en te onderscheiden van kinderen met een blootstellingsachterstand. Daarom werd bij Thomas More een ‘Protocol voor taaldiagnostiek bij meertalige kinderen’ ontwikkeld.
De eerste stap in de procedure is om taalontwikkeling van leerlingen te volgen via observaties, kijkwijzers, het leerlingenvolgsysteem, enz. . Blijkt uit die opvolging dat de leerling een taalachterstand heeft, dan geniet de leerling van een basiszorg en verhoogde zorg, die kan bestaan uit remediëringsoefeningen of extra begeleiding door de leerkracht en de zorgcoördinator.
Vervolgens worden leerlingen met hardnekkige taalproblemen vaak doorverwezen naar het CLB, via het zorgteam van de school. In overleg wordt dan beslist of extern logopedisch onderzoek nodig is.
Op dat moment kan het protocol (van Thomas More) hulp bieden. Het protocol helpt logopedisten om de ontwikkelingsstoornis vast te leggen op basis van gestandaardiseerde taaltesten en geobjectiveerde vragenlijsten. De ouders worden in deze fase actief betrokken. Deze testen meten o.a. het begrijpen en produceren van zinnen, de woordvorming, de actieve woordenschat en de vertelvaardigheden van kinderen.
Aan de hand van deze testen worden de resultaten geïnterpreteerd en stelt de logopedist een stappenplan voor om therapiedoelen te bepalen. De rol van de logopedist beperkt zich in het geval van een blootstellingsachterstand tot coach van de omgeving. Hij/zij adviseert de leerkracht over een krachtig taalaanbod en voldoende spreekkansen tijdens de les. Op dat moment spreekt men van uitgebreide zorg, waarbij leerlingen tijdens de les ook gebruik kunnen maken van technische oplossingen en compenserende maatregelen.
Het inzicht in deze aanpak was voor mij een ‘eye opener’. Als leerkracht Nederlands weet ik nu waar ik terechtkan, en welke procedures ik kan volgen wanneer ik vermoedens heb van een taalachterstand dat bepaalde leerlingen. Toch was ik verrast over het laatste aspect van het artikel: niet de logopedist, maar de leerkracht wordt geacht aan de slag te gaan met een krachtig taalaanbod om leerlingen met een TOS te coachen. Ik heb al de gewoonte om diagnostische toetsen te gebruiken tijdens mijn lessen, maar een logopedist of het CLB heeft me nog nooit gevraagd om extra begeleiding te voorzien.
Voor mijn stotterende en dyslectische leerlingen kreeg ik weinig of geen terugkoppeling. De feedback via de zorgcoördinator bleef in de meeste gevallen beperkt tot ‘technische oplossingen’ waarvan de leerling tijdens de lessen en toetsen gebruik mag maken.
Na het lezen van het artikel nam ik dus contact met de zorgcoördinator op onze school om mijn vaststelling voor te leggen. De gevolgde procedure werd door haar bevestigd. Nadat er een TOS is vastgesteld bij leerlingen, wordt dit op de klassenraad besproken. De nodige maatregelen (zowel technisch als remediërend) worden dan voorgelegd.
Maar uit het gesprek bleek ook dat veel remediërende maatregelen bij taalachterstand door een andere vakleerkracht worden opgevolgd en niet altijd door de betrokken leerkracht Nederlands. Omdat de situatie en maatregelen in een aparte klassenraad besproken wordt, begreep ik ook waarom ik als interim-leerkracht niet op de hoogte gesteld was (Ik gaf toen nog geen les.).
Wanneer een logopedist wordt ingeschakeld, gebeurt dit altijd in overleg met de ouders. Bijgevolg is het vaak zo dat de leerling een apart traject doorloopt buiten de school (bv. bij stotteren). Gek genoeg word je daar als betrokken leerkracht niet altijd van op de hoogte gesteld.
Toch vind ik het als taalleerkracht belangrijk om bij het proces betrokken te worden. Naarmate mijn eigen ervaring groeit, hoop ik zelf sneller symptomen te kunnen detecteren en leerlingen met taalachterstand beter te kunnen helpen. Wanneer het om TOS gaat, zal het wellicht iets moeilijker zijn om hier zelf mee aan de slag te gaan. In dat geval is het toch wel goed om terugkoppeling te krijgen van een logopedist om het ‘hersteltraject’ mee te kunnen begeleiden.
bron: Mostaert C. en Leysen H. (2025). Caleidoscoop, jaargang 37 nr 5. Meertalige leerlingen met taalproblemen, p. 22 – 28.




Opmerkingen